De lucht was grijs en koud en het miezerde een beetje. Niet genoeg om het regen te noemen maar na een tijdje werd je er wel kletsnat van, en Flier was kletsnat. En koud. Hij had al de hele dag gelopen, en gisteren en de dag daarvoor ook. Zonder iemand tegen te komen, en zijn humeur was er niet beter op geworden. Hij vroeg zich wel eens af waarom hij hier liep, en niet lekker in een huisje zat met een knapperend haarvuur en een brave vrouw die een warme maaltijd voor hem maakte. Maar dat had nooit zo bij hem gepast, Flier was nu eenmaal een Fluiter, van hier naar daar, op zoek naar wie weet wat. Vandaag was hij daar niet zo blij mee.
Hij kwam bij een smalle brug over een kabbelend riviertje. Gelukkig was daar dat bruggetje, want anders had hij ook nog eens natte voeten gekregen. Aan het begin van de brug was een bordje getimmerd. “Ga terug”, stond er op. Ga terug? Nou, dat dacht ik toch niet, dacht Flier. Wat een raar bericht was dat, wie zou dat opgehangen hebben? Er was maar één manier om daar achter te komen. Met iets meer energie stak hij het riviertje over.
Iets verder hing nog zo’n bordje aan een boom. “Kssst” stond erop. Niet heel angstaanjagend. En later nog één, “Weg wezen.” en zo waren er meer bordjes. “Het is hier naar”, “De dood wacht u als u verder loopt”, “Gratis pannenkoeken de andere kant op”. Flier werd alleen maar nieuwsgieriger.
Hij kwam op een open plek met in het midden een gat met een touw en een mand. Flier keek over de rand van het gat. Hij zag niet veel, maar kon een zacht geneurie horen. Er zat daar iemand.
“Hallo!” zei Flier. Niet erg origineel maar hij was koud en nat, laten we dat niet vergeten.
Het werd meteen stil. Flier riep nog maar eens. “Hallo, wie is daar?”
Er klonk een krakerig gekerm uit de diepte. Flier boog zich wat verder over de put met zijn hand aan zijn oor.
“Wat zegt u?”
“Ga weg. Kssst! Wat een prikkels, ik word er gek van. Verdwijn, stuk onbenul, heeft u de bordjes niet gezien?”
“Wat is uw naam? Waarom zit u zo in de put?”. Flier liet zich niet zomaar wegjagen.
“Mijn naam ben ik vergeten en ik zit in de put omdat ik uit de put nog meer in de put zit!“
De man had duidelijk tijd gehad hierover na te denken, al begreep Flier er niet veel van. Hij keek op en zag een vrouw zijn kant op komen. Een mooie vrouw, Flier voelde zich meteen een stuk minder koud.
“Kijk aan”, riep ze van verre, “iemand die zich niet heeft laten wegjagen. Wie ben jij en wat doe je hier? “
“Ik ben Flier en ben me hier vooral aan het verwonderen over de man die in de put zit.”
“Dat is mijn man, hij is zelf zijn naam vergeten en ik vind dat wel best. Mijn naam is Maartje.”
Flier stond op en nam een buiging met een zwier van zijn hoed. “Aangenaam Maartje. Zorg jij voor deze gek in zijn put?”
“Ja. We hadden een goed leven samen, druk, vrolijk, drie kinderen en een hond. Toen werd hij depressief. ‘Elk jaar gaat zo snel, nu is het alweer winter’, zei hij dan. ‘Voor ik het weet zijn we oud en gaan we dood.’ ‘Ja, als je lol hebt gaat de tijd snel’, zei ik dan. Daar dacht hij over na en na een tijdje nam hij een beslissing. ‘Maartje, je hebt gelijk. Als je lol hebt gaat de tijd snel. Maar ik wil van elke minuut van mijn leven genieten. Of niet genieten. Ik heb besloten mij de rest van mijn leven te gaan vervelen, zodat de tijd langzaam gaat, en ik niet zo snel doodga.’”
“Een verfrissend idee”, zei Flier, bedachtzaam. “En toen is hij in die put gaan zitten?”
“Ja, 10 jaar geleden. Ik geef hem elke dag water en brood en mag niets zeggen zodat hij zich onwaarschijnlijk verveelt en de tijd langzaam gaat.”
“En jij?”
“Voor mij mag de tijd wel wat sneller gaan. Waar ga jij heen?”
“Ik zoek een warme plek vannacht.”
“Zoek niet verder. Ik heb een open haard, een warme maaltijd en een bed.”
Flier keek even naar beneden de put in, waar nog altijd gekerm en geklaag uit klonk. ‘Fijn Maartje, we leven maar één keer.”
Maartje deed haar brood en water in de mand en takelde dat naar beneden de put in. Ze gaf Flier een arm en nam hem mee richting haar huis. Na een paar passen keerde Flier zich om. Hij liep terug naar de put en kon het niet nalaten.
“Hee, oude man. Ik ga met Maartje mee naar huis, het zal gezellig zijn. Als je daar maar goed aan denkt zal deze nacht nog langer duren voor je. Precies wat je wilt. Misschien blijf ik een paar nachten. Graag gedaan!!!”
Vanuit de put klonk een zacht gekerm en toen een ijselijke schreeuw. Flier had weer een goede daad gedaan.



